LIVE REPORTING POKERNIEUWS

 

Nederlandse sporters zijn meesters in het verzinnen van excuses om hun falen te verbloemen. Onze voetballers zijn misschien wel het duidelijkste voorbeeld. Keer op keer pogen zij hun slechte prestaties of structureel gebrekkige sportmentaliteit te verbergen door irrelevante verhalen over het veld, de scheidsrechter, de voorbereiding, pech in de afronding etc.

Ook in de pokersport analyseert slechts zeer zelden een pokeraar zijn slechte prestaties als exact dat – een slechte prestatie. Bijna altijd worden wel verzachtende omstandigheden aangevoerd of zelfs wat ik beschouw als ‘smoesjes’. In deze column een paar voorbeelden.

“Het is een mijnenveld”

Een soms correcte conclusie. Veel grote toernooien hebben gigantisch grote velden en een aanzienlijk percentage aan zwakke / onvoorspelbare / overagressieve spelers, zodat je heel wat ‘bommetjes’ moet ontwijken om echt diep te kunnen komen in zo’n event.

Echter, op langere termijn houdt deze gedachte geen stand. Aangezien er percentage-gewijs net zo veel spelers in het geld komen als bij kleinere events, en omdat het gemiddelde niveau in die ‘mijnenveld’ toernooien juist veel lager ligt, moet het hier relatief gezien dus veel makkelijker zijn om diep te komen. En diegenen die na een significant aantal van dit soort toernooien dus nog steeds geen resultaten op hun naam hebben staan, kunnen beter bij zichzelf te rade gaan of hun tactieken wel in orde zijn, in plaats van steeds maar weer de focus te leggen op iets wat eigenlijk niet echt relevant is.

“Variantie”

Het excuus van de jonge, matig presterende pokeraar. Wint men een titel of komt men diep in een event, dan worden de kwaliteiten van de speler in kwestie benadrukt. Presteert men niet, tja dan is dat natuurlijk variantie.

Hoewel variantie wel degelijk een belangrijk issue is – het is namelijk ook voor goede spelers mogelijk om ondanks prima spel lang buiten het echte geld te blijven, puur door pech of ongelukkige situaties op cruciale momenten – tegenwoordig is het toch vooral een excuus om falen te verbloemen. Immers, diegenen die wel veel toernooien spelen maar er keer op keer net niet bijzitten als de prijzen worden verdeeld, die zouden toch vooral hun blik moeten richten of hun spel niet enige verbetering behoeft. Immers, wie kijkt naar de resultatenlijsten van absolute toppers als Phil Ivey, Allen Cunningham of (binnen Europa) Marcel Lüske, die ziet toch eigenlijk altijd wel een erg solide ondergrens: zelfs als het slecht gaat gedurende een jaar, dan zijn deze spelers toch bijna altijd wel bijna break-even, en als alles volgens plan verloopt nou dan winnen ze gewoon erg veel. Vergelijk dat met de veelal jonge gasten die het altijd maar hebben over variantie – maar bij wie met name deze ondergrens veel en veel lager ligt. Voor mij het duidelijke bewijs dat deze spelers eerst hun niveau significant moeten opkrikken – want pas dan worden de analyses van het inderdaad relevante aspect variantie echt van belang.

“De opponenten zijn zooooo slecht”

Het misschien wel meest wonderlijke aspect in de after-elimination commentaren van pokeraars, en eentje die al sinds jaar en dag blijft terugkeren. Nog altijd wijzen spelers bij hun falen / na hun uitschakeling niet op goede spelers die hen op belangrijke momenten mogelijk hebben outplayed, maar juist op de vele donks in het toernooi die “echt geen flauw benul hebben wat ze zitten te doen”. Alsof dat niet juist de ideale opponenten zijn om de chips afhandig te maken!

Tijdens recente toernooien van mij bij de EPT San Remo en het Belgisch Kampioenschap ging het in het kamp van de Nederlanders vrijwel alleen over hoe “belachelijk slecht” de opponenten wel niet waren – en dan vooral nadat we zelf weer eens vroegtijdig waren uitgeschakeld. Slechts zelden stelden wij ons de vraag: Tja, als deze opponenten inderdaad zo slecht zijn (en ja, vaak was dat ook inderdaad zo), wat is dan precies de beste manier om deze zwaktes uit te buiten? Wat is dan de beste manier om niet alleen zo veel mogelijk chips af te pakken van deze tegenstanders, maar ook – eigenlijk minstens net zo belangrijk – hoe minimaliseer ik de kans dat deze zwakke spelers via een gelukje of via een foute inschatting van mijn kant ineens een grote pot kunnen winnen? Of, om maar eventjes in bokstermen te blijven: Wat is de beste manier om op punten mijn opponent te verslaan – en hoe minimaliseer ik tegelijkertijd de kans op een lucky punch van zijn kant.

In beide events waren de meeste Nederlanders als gekken aan het moven & grooven in de beginfase van het toernooi, en waren ze bezig met heel advanced concepts als de reraise-in-positie-met-bagger-als-isolatie-van-de-fish, of met three-barrel-bluffs om hun zwakke opponenten van een relatief marginale hand af te zetten. Maar als deze Nederlanders echt goed hadden nagedacht, hadden ze geweten dat het juist de grootste zwakte van deze mindere spelers is om een marginale hand weg te leggen.

En dan is de ‘ouderwetse’ of ‘suffe’ nut-peddling approach van wachten om afbetaald te krijgen weliswaar iets minder stoer & sexy dan het high-level aanvalsspel van onze jongens – maar op langere termijn misschien wel beter, en bovendien een stuk minder risicovol. Immers, als je je niet goed aanpast aan de zwakke spelers, en hun exploiteerbare zwakheden niet uitbuit maar – door om tegen dit soort donks op een veel te hoog niveau te willen denken – soms zelfs beloont… tja, dan ben je uiteindelijk zelf de zwakste schakel.

“Ik speelde om te winnen”

Veel topspelers hechten in toernooispel slechts weinig waarde aan in het geld komen of zelfs aan het halen van finaletafels – eigenlijk alleen een overwinning is voor hen interessant. Ervan uitgaand dat deze spelers inderdaad op heel hoog niveau spelen, is daar ook inderdaad wel wat voor te zeggen. Immers, in toernooien is het prijzengeld gewoonlijk topheavy, en één enkele zege levert vaak veel meer op dan een heel leger aan zesde, zevende of twaalfde plaatsen bij elkaar. En misschien wel net zo belangrijk: Voor potentiële sponsoren is een winnaar (marketingtechnisch) veel interessanter dan de voorzichtige grinder die zich weliswaar regelmatig in het geld speelt, maar die eigenlijk nooit met een winnaarstrofee in zijn handen staat.

Spelen om te winnen is dus een prima concept – echter, ook één die om de haverklap gebruikt wordt door spelers om slechte beslissingen mee goed te praten. Heb je de vierde raise gemaakt met een klein paartje en ben je gecallt door het obvious hoge paar van de tegenstander, tja dan heb je natuurlijk geen fout gemaakt en evenmin heb je de situatie slecht gelezen – nee hoor, je “speelde gewoon voor de winst”. Vooral Nederlandse spelers zijn gewoonlijk heel erg bezig met dit “playing to win” concept terwijl ze vergeten dat een solide defensie, het vermijden van grote risico’s en het overleven in events ook erg belangrijk zijn. Zeker als je in een relatief vroege fase van het toernooi zit waar de blinden nog heel laag zijn, is het bijna altijd slecht om met een zwakke hand je hele stack en dus je toernooileven in gevaar te brengen. Het is dan misschien wel stoer, en het lijkt heel erg in lijn met de “ik speel voor de winst” tactiek die zo populair is. Maar gewoonlijk is het toch vooral erg dom, omdat je teveel risico neemt zonder dat er al daadwerkelijk iets te winnen is, en omdat je als goede speler dan al uitgeschakeld bent nog ruim voordat de – in theorie, zwakkere – spelers de prijzen gaan verdelen.

Kortom: Playing to win is goed – maar niet als excuus na afloop om domme, roekeloze of onjuiste beslissingen mee te rechtvaardigen.

Iedere week verschijnt de column van Rolf Slotboom op PokerCity. Rolf is een van Nederlands beste pokerspelers en tevens een internationaal gewaardeerd schrijver van pokerboeken en artikelen.