Rolf is een van Nederlands beste pokerspelers en tevens een internationaal gewaardeerd schrijver van pokerboeken en artikelen.
De strijd tegen de scepsis
Vraag iemand voor wie hij het meeste respect heeft, of wie hij het meeste bewondert, en hij komt waarschijnlijk met een Absolute Ster: iemand die vanwege een gave of vanwege uitstraling behoort tot de absolute top van zijn of haar vakgebied.Vraag het aan mij, en ik geef je een heel ander antwoord. Meer dan voor de sterren, heb ik vooral bewondering voor hen die altijd hard hebben moeten vechten om hun doel te bereiken. Meer dan voor diegenen die puur op basis van talent of looks al automatisch als top worden gezien, voel ik verwantschap met hen die continue te maken hebben met scepsis of met alsmaar aanhoudende kritiek. Zeg, tennisspelers als Lleyton Hewitt of Michael Chang die steeds toch maar vooral te horen kregen wat ze niet konden. (“Hij is te klein voor de top.” “Zijn service is niet krachtig genoeg.” “Hij heeft simpelweg te weinig talent.”) Nooit ging het over de geweldige sportmentaliteit die zij keer op keer tentoonspreidden, en waarmee ze structureel hun ‘sterkere’ en veel meer getalenteerde opponenten wisten te kloppen. Andere voorbeelden: Voetballers die in de ogen van critici te ‘beperkt’ zouden zijn om de top te halen, met te weinig snelheid of simpelweg niet stijlvol genoeg. (Laten we zeggen de Luca Toni’s, de Koevermansen of zelfs de Klaas-Jannen van deze wereld, die steeds maar weer ‘toevallig’ op de goede plaats staan. Soms duurde het jaren of zelfs – Gerd Müller! – een hele carrière voordat het grote publiek ging inzien dat hun vele goals geen toeval konden zijn.) Of wat te denken van absolute toptrainers als Co Adriaanse, die steeds maar weer moeten strijden tegen de grote namen uit ons voetbalverleden, de voormalige topspelers die in tegenstelling tot hemzelf niet de vaardigheid hebben een team beter te maken – maar die toch vrijwel altijd (meestal met de steun van het publiek) de voorkeur krijgen.
Ook ikzelf heb eigenlijk gedurende mijn gehele pokercarrière te maken gehad met scepsis. Vanaf het allereerste begin in 1998, toen ik mijn baan als dealer opgaf om pokerprof te hebben, zei men dat ik het niet zou redden. Ik zou zowel qua spelniveau alsook qua persoonlijkheid te kort komen om dit tot een goed einde te kunnen brengen, zo was de verwachting. Toen ik mij tegen deze verwachting in tot een winnende low-limit hold’em speler had ontwikkeld, zei men: “Ja OK, low-limit kun je wel, maar hoge limieten – tja dat zal je niet lukken, hoor.” Toen bleek dat dit me wel lukte, zei men weer: “Tja, limit poker is dan misschien wel te verslaan voor je, maar in pot-limit ga je geslacht hoor.” (Dit is letterlijk in mijn gezicht verteld door een aantal van de tot dan toe winnende pot-limit Omaha spelers in Amsterdam – zeg, als een ‘goed bedoelde’ waarschuwing aan mijn adres om toch vooral niet de overstap te gaan maken van de limit hold’em naar hun partij.) En toen ik ook dit voor elkaar kreeg en veelal ten koste van deze zelfde spelers nu dik zat te winnen in de genoemde PLO cash game, wel toen ging men weer roepen dat ik toernooien niet zou kunnen. Of online het niet zou redden. Whatever – er was altijd wel wat.
Vergelijk dat met andere spelers, die eigenlijk amper een toernooitje hebben gewonnen of ze worden al direct erkend al echte sterren, soms zelfs met een heuse fanbase. Vaak zijn dit spelers die ondanks hun grote populariteit en al het respect dat ze genieten toch nog zoveel leaks in hun game hebben dat ik dolgraag bij hen aan tafel schuif – om dan wederom met “veel geluk” of met mijn “inferieure” speltactiek hen te kloppen.
Deze strijd tegen de scepsis heeft mij altijd veel kracht gekost – maar tegelijkertijd is het ook mijn drijfveer geweest om steeds completer te worden, en om steeds maar weer nieuwe prestaties neer te zetten. Jarenlang is er bijvoorbeeld over mij geroepen door een grote groep spelers: “Tja, hij kan alleen maar shortstack spelen en wachten op azen. Echt pokeren kan ‘ie niet.” Tegenwoordig speel ik dag in, dag uit op T6 een big-stack approach in dezelfde shorthanded games die ik altijd had gemeden, en ook nu weer met veel succes – en dit keer kost het de opponenten nu vaak hun hele stack in plaats van slechts een klein hapje. Ook over de toernooien kunnen mijn critici nog maar moeilijk iets zeggen, nu ik daar al lange tijd zeer consistent presteer – feitelijk veel beter dan precies die mannen die mij zo vaak hebben bekritiseerd. Waar bij andere spelers vaak de talenten of de grote kwaliteiten werden benadrukt, ging het bij mij vaak juist over de dingen die ik niet deed of de partijen die ik niet speelde, alsof ik dus in die specifieke onderdelen niet goed genoeg zou kunnen. En zo werden mijn bewuste keuzes om me in het poker zo veel mogelijk te beperken tot heel simpele dingen structureel uitgelegd als zwakte, en niet als de kracht zoals het in mijn optiek had moeten worden beoordeeld. Want net als in andere sporten geldt ook in het poker: Eenvoudig spelen is vaak het moeilijkste wat er is – en de echte meester is juist hij degene die het beste van allemaal zijn beperkingen kent.
Wie de geschiedenis goed bestudeert, weet dat uit de strijd tegen de scepsis, of uit het voelen van rancune vaak mooie dingen kunnen voortvloeien. Kijk naar de door Ajax afgeschreven Johan Cruijff, die puur uit rancune nog één keer zich wist op te laden om nota bene de aartsvijand Feijenoord kampioen te maken. Of naar de al genoemde Luca Toni, die nu bij Bayern München al zijn critici de mond snoert met een heel leger aan ogenschijnlijk “eenvoudige” doelpunten.
Want dat is waar het uiteindelijk allemaal om draait: het continue leveren van topprestaties. Feitelijk is dit het enige wapen om de critici te doen zwijgen – dat weet ik al mijn hele (poker)leven lang.









