LIVE REPORTING POKERNIEUWS

 

De Belastingdienst mag nietlanger kansspelbelasting heffen op verdiensten uit meerdaagse pokertoernooiendie in de EU worden gespeeld. De Hoge Raad heeft vandaag geoordeeld dat ersprake is van ongelijke behandeling in de belasting op binnenlandse enbuitenlandse toernooien binnen de EU: ‘Het heffen van kansspelbelasting over de prijzen die zijn gewonnen bijin andere lidstaten van de EU gehouden pokertoernooien levert derhalve eenschending op van artikel 56 VWEU.’

Vandaag verschenen opuitspraak.rechtspraak.net twee uitspraken van de Hoge Raad in zaken die vandaagwerden afgehandeld. Zowel in de ene zaak (als we het juist hebben die van JoostMengerink) als in de andere oordeelde deHoge Raad dat het heffen van belasting over prijzen in pokertoernooien binnende EU door de Nederlandse belastingdienst, in strijd is met de Europese regels. De raad heeft zich niet uitgesproken in de kwestie of poker een behendigheidsspel is of niet.

Het is nog onduidelijk wat de uitspraak voor gevolgen heeft. Fiscaal advocaat Terence Vink liet door Quote al optekenen: “De Belastingdienst heeft het nakijken. Pokeraars zijn hier al heel lang mee bezig, er zijn hier heel veel proceduresover gevoerd. Ik verwacht dat met deze uitspraak van de Hoge Raad dat nu overis. Wel jammer is dat de Hoge Raad zich niet heeft uitgesproken over de vraagof poker wel echt een kansspel is, en geen behendigheidsspel.”

Dit zou dus kunnen inhouden dat alle spelers die belasting hebben betaald over prijzen gewonnen binnen de EU, hun geld zouden kunnen terugvragen aan de belastingdienst. Of dit alleen kan als je bezwaar hebt ingediend, weten we nog niet.

In de eerste zaak gaat het om twee gewonnen prijzen uit 2010 van €10.800 en €19.000, beide bij een Unibet Open in dat jaar. De meest interessante passage uit de uitspraak van de Hoge Raad hebben we hieronder uitgelicht:

3.3. Voor dat geval is tussen partijen terecht niet in geschil dat buitenlandse pokertoernooien onder de Wet KSB ongunstiger worden behandeld dan door de Nederlandse vergunninghouder (Holland Casino) georganiseerde pokertoernooien. Bij door Holland Casino georganiseerde pokertoernooien wordt de kansspelbelasting immers geheven van het casino over hetgeen door deze organisatie in een tijdvak wordt ontvangen voor het geven van gelegenheid tot deelneming, terwijl bij buitenlandse pokertoernooien de gerechtigde tot de prijzen kansspelbelasting verschuldigd is over de prijzen. Het Hof is kennelijk, en in cassatie onbestreden, ervan uitgegaan dat Holland Casino voor het geven van gelegenheid tot deelname aan een pokertoernooi een bedrag ontvangt dat geringer is dan het prijzengeld. Daarom kan in cassatie ervan worden uitgegaan dat de verschuldigde kansspelbelasting bij buitenlandse pokertoernooien in alle gevallen hoger is dan de – van het casino geheven – kansspelbelasting die is toe te rekenen aan prijzen gewonnen bij vergelijkbare binnenlandse toernooien.


3.4.1. Het Hof heeft verder geoordeeld dat geen rechtvaardigingsgrond bestaat voor de hiervoor in 3.3 genoemde ongelijke behandeling van buitenlandse en binnenlandse pokertoernooien. Dit oordeel is in cassatie terecht niet bestreden. Het heffen van kansspelbelasting over de prijzen die zijn gewonnen bij in andere lidstaten van de EU gehouden pokertoernooien levert derhalve een schending op van artikel 56 VWEU.

3.4.2. Het Hof heeft aan zijn oordeel dat artikel 56 VWEU is geschonden de gevolgtrekking verbonden dat de naheffingsaanslagen dienen te worden vernietigd. Voor zover het in het principale beroep aangevoerde middel betoogt dat het Hof met dit oordeel ten onrechte zelf heeft voorzien in het rechtstekort, faalt het aangezien de rechtstreekse werking en voorrang van artikel 56 VWEU meebrengen dat de hiermee strijdige bepalingen van nationaal recht in zoverre buiten toepassing moeten worden gelaten. In het onderhavige geval brengt dit mee dat heffing van kansspelbelasting over binnen de EU gewonnen prijzen achterwege moet blijven. In het gebrek dat aan de wettelijke regeling kleeft als gevolg van de hiervoor in 3.4.1 vastgestelde schending van artikel 56 VWEU kan door de rechter namelijk niet op andere wijze worden voorzien omdat uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen noch uit de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk kan worden afgeleid hoe dit zou dienen te geschieden (vgl. HR 14 november 2008, nr. 40597bis, ECLI:NL:HR:2008:BG4211, BNB 2009/3).

3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, faalt het middel in het principale beroep.