Lees alvast eerste deel pokerboek ‘All-in’ op PokerCity!

Het boek ‘All-in’ van Sander Collewijn over de pokerwereld is sinds afgelopen donderdag te koop. In de categorie ‘try before you buy’ vandaag op PokerCity een preview. Lees alvast de proloog en een deel van het eerste hoofdstuk. Wil je ook de rest van het boek lezen? Dat kan!


Proloog

   Vijftig jongens. Vijf meisjes. Een villa met zwembad in Las Vegas, kilometers verwijderd van The Strip. Voor de tweede keer wordt er een ouderwetse inzamelhoed onder mijn neus gestopt, terwijl ik met mijn handen op de rand van het zwembad leun, mijn benen half in het water. Ik kijk recht in het gezicht van Leander. ‘Voor de hoeren,’ is zijn boodschap. Leander, het broertje van een van de beste pokerspelers van Nederland, vindt bier, barbecue, muziek, zwembad en vijf meisjes niet genoeg. Deze arme sportjournalist heeft tien dollar ingelegd voor eten en drinken en denkt geen professionele hulp nodig te hebben om zich te vermaken. ‘Nee, dank je,’ zeg ik tegen Leander, die rustig zijn rondje afmaakt langs het zwembad. Er zijn genoeg pokerspelers die wel geld inleggen.

   Ik dompel me onder, krijg een Budweiser in mijn handen geduwd en rook een sigaret terwijl ik in het zwembad sta. Alle sigaretten hier smaken naar droge lucht van vijfenveertig graden, in de heteluchtoven die Las Vegas nu eenmaal is. Ontsnappen aan de klamme deken is niet mogelijk. Als ‘journalist’ voor De Telegraaf en PokerStars schrijf ik verhalen en maak ik video’s over al het pokergeweld in deze woestijn. Ik kijk jaloers naar het selecte groepje in het bubbelbad, de top van de apenrots. Alle aanwezige meisjes liggen daar, bij hun vriendjes, de succesvolle professionele pokerspelers die deze villa in Las Vegas hebben gehuurd, omdat ze zeven weken lang de toernooien van de World Series of Poker spelen. Voor het geld doen ze het niet. Dat verdienen ze met pokeren op internet. Het gaat om de roem en de eer een toernooi te winnen in Las Vegas, de bakermat van het poker. De stad van de absurde elektriciteitsrekeningen, waar in 1970 de eerste World Series of Poker werd gespeeld.

   Deze pokeraars zijn dag in dag uit met hun vak bezig, terwijl ik het na een jaar nog niet in de vingers heb. Ik ben een absolute leek, ook bij het aanpassen aan de mores en de gewoontes van de pokerwereld. Zelfs geld uit de muur trekken voelt raar. Pokerspelers pinnen nooit. Als ik weer weiger als ze me voor de zoveelste keer vragen of ik mee wil naar stripclub Rhino’s, hoor ik er niet bij.

    Mijn vrienden in Amsterdam drinken bier in de Jordaan. Zij vieren dat het Nederlands voetbalelftal net de halve finale van het wk voetbal heeft gewonnen. ‘Jij krijgt natuurlijk die lekkere hoer en ik die lelijke,’ galmt Koen over het zwembad tegen zijn vriend. Koen is de kale Groninger die volgens ingewijden de ‘grootste onlinecashgames helemaal crusht, met swings van miljoenen’ tegen de allerbeste pokerspelers van de wereld. Ik mag hem erg graag. Hij heeft geen kapsones over zijn eigen spel, zoals de meeste pokerspelers. ‘Jij runt de laatste tijd in je leven zo lekker, hoewel ik lifetime beter run,’ zegt Jakko. Zijn vriend reageert: ‘Gast, jij runt altijd als een god. Als we nu flips doen verlies ik zo weer vijf K van je.’

    Terwijl ik wat probeer te feesten met wat onbeholpen danspasjes in het zwembad, komen er drie vrouwen het terrein op gewiebeld. De tijd stopt als de vrouwen als in een catwalk langs het zwembad zwieren. Ze houden hun gezicht strak en emotieloos, terwijl ze weten dat iedereen naar ze kijkt. Voor ons is dit vertier, voor hen is het werk. Leander geeft de vrouwen de duizend dollar die hij heeft verzameld in de hoed. Iedereen kijkt om zich heen wie het eerste slachtoffer mag worden. Er zijn vijftig pokerspelers tussen de achttien en dertig jaar oud. Er zijn er zeker een aantal maagd. Inschatten of hun tegenstander aan de pokertafel een aas en een twee of een koning en een vijf in zijn hand heeft, en berekenen dat het in een bepaalde hand eenenzeventig procent van de keren goed is om de kaarten weg te leggen, kunnen ze feilloos. Menselijk contact is iets anders.

    Als iedereen naar elkaar kijkt, verhardt het gesprek tussen de hoeren en de pokerspelers. De handen van Leander bewegen alle kanten op. Ik loop richting het tafereel. ‘We hebben meer nodig dan duizend dollar,’ zeggen de prostituees. Wat er ook gebeurt, er gaat hier iets genaaid worden. De discussie verplaatst zich naar de keuken, terwijl het broertje van een van de grootste Nederlandse highstakers boven aan de trap staat te wachten op actie. Het enige wat iedereen wil zien is dat de achttienjarige Joost wordt ontmaagd en dat hij daarna triomfantelijk naar beneden loopt met de armen omhoog, zoals voetballer Giovanni van Bronckhorst na zijn poeier in de kruising tegen Uruguay. De voyeur in mij blijft rustig een halfuur wachten in de keuken totdat er wat gebeurt. Er volgt een halfuur een impasse, een bizarre onderhandeling over lichamen, geslachtsorganen en aantallen, waarin niemand toegeeft. ‘Meer dan duizend dollar,’ blijft het standpunt.

    Leander loopt naar buiten om meer geld in te zamelen, maar dat stuit op weerstand. De vrouwen lopen naar buiten richting de uitgang en keren dan weer terug in de keuken van de villa, het epicentrum van de onderhandelingen tussen de prostituees uit Nevada en de Nederlandse pokerwereld. ‘Duizend dollar is genoeg voor drie jongens, toch?’ probeert Leander nog. De prostituees vinden van niet. Duizend dollar zijn slechts voorrijkosten. Daar hoort een penetratie zeker niet bij. Zelfs een kleine striptease zou nu al het geld waard zijn. Wanneer een gefrustreerde tiener een klein duwtje geeft tegen de blonde prostituee, beginnen haar collega’s te schelden.

    Als er acht mensen met elkaar, in de keuken, lichtjes beginnen te duwen en trekken, begint het op een eindeloze klucht te lijken, totdat Joris, de broer van Leander, zich ermee bemoeit. Hij is een van de vijf pokerspelers die de villa hebben gehuurd. Joris is wat ze in de pokerwereld een van de eindbazen noemen van het Nederlandse poker. De man met het meeste geld en het meeste aanzien. Een betrouwbare bankier voor collega’s, onbekend bij het grote publiek. ‘Echt een zwaar weekend. 140K verloren’ en: ‘Ik run lekker, 80K weer teruggepakt. Pacific poker is echt een goudmijntje,’ zijn de dingen die hij me toefluistert, als ik weer eens vraag hoeveel hij heeft verdiend.

    ‘Oprotten met die hoeren,’ schreeuwt hij nu door de keuken. Er volgt bijna een handgemeen met Leander, maar hij herhaalt zijn zin, want Joris is een van die gasten die zijn vriendin mee heeft genomen naar Las Vegas. Uiteindelijk druipen de prostituees af en lopen ze langs het zwembad door het hek naar buiten. De boosheid van de pokeraars kan zich op de een of andere manier alleen nog maar uiten in schaapachtig lachen. De Grote Ontmaagding zal niet in Las Vegas plaatsvinden, maar ergens in een stapelbed in Nijmegen.

    Een hele groep pokerspelers duikt in het zwembad, terwijl ik net mijn vriend Richard bel in Nederland om iemand te spreken die ook gevoelens heeft en met wie ik mijn blijdschap over de finaleplaats op het wk kan delen. Er worden lappen vlees op de barbecue gegooid. Het bubbelbad stroomt weer vol met highrollers. Luxe genoeg, maar het gevoel ontbreekt. Er zijn genoeg jongens om een gesprek mee aan te knopen, maar ik kan niet meer, na dit intermezzo. Ik bedank Leander voor het bier en het vlees. Als ik het hek heb bereikt, kijk ik nog een keer achterom naar de pokeraars in het zwembad en vraag ik me af of dit echt gebeurd is. Aan de pokertafel verlies je minder snel 1K. Maar dit is Vegas.

    Beginner
    Café Lust


   ‘Kun je ook over poker schrijven?’ was de vraag van mijn oud-collega. Samen vormden we het junior creatieve team bij het reclamebureau. Hij de artdirector, ik de copywriter. Wij hebben een jaar lang, onder het mom van brainstormen, slogans en reclamefolders en televisiereclames bedacht en uitgewerkt.

    Wat moet ik me voorstellen bij een redactionele pokerklus? Het enige waar ik vertrouwd mee ben, zijn de zeldzame pokeravonden met mijn vrienden, die altijd gezellig zijn, maar waar ik nooit succesvol ben. Ik begrijp niet hoe je goed kunt worden in poker. Iedereen gooit bij ons altijd de hele avond chips in de pot, ik ook, en dan kijken we met z’n allen naar de eerste drie kaarten die op tafel komen. Dan hoop ik dat dezelfde kaart op tafel komt die ik in mijn hand heb. Dan heb ik een paar, zet ik veel chips in en hoop ik wat geld te winnen. Het ultieme is een straat, waarbij ik vijf achtereenvolgende kaarten op een rij maak, maar dat is een combinatie die ik zelden vind. Vier kaarten lukt vaak wel. Ze noemen dat een kleine straat, maar die telt niet.

    Het hoogtepunt van de avond is voor mij altijd het moment dat ik all-in ga. Alle chips die ik bezit duw ik zo woest mogelijk naar voren met twee liggende handen, terwijl ik zo triomfantelijk mogelijk ‘all-in’ schreeuw. Het is het meest definitieve wat je kunt doen bij poker. Je ziel en zaligheid in de strijd gooien en de tegenstander maximaal onder druk zetten. Die moet heroverwegen wat de waarde van zijn kaarten is en hoe groot zijn ballen zijn. Geen mooier moment dan dat mijn vrienden de witte vlag hijsen en buigen voor mijn heldhaftigheid.

    Toch is er iets vreemds met mijn ontluikende interesse voor poker. Ondanks weinig echte pokeravonden kijk ik steeds vaker naar de rtl-uitzendingen. Als notoire nachtbraker zap ik langs het poker en doorsta daarna zelfs de televisiereclames. Iets blijft me trekken. Als sportjournalist kan ik ook uren skischansspringen kijken en bij het wk atletiek gebiologeerd raken door de drie kilometer steeplechase, alleen al door de aanblik van die vreemde waterbak na de horde. Die fascinatie hoeft dus niet veel te betekenen. Maar de toeval van het zappen wordt gaandeweg ingeruild voor het proactief controleren hoe laat de uitzending van de wsop, zoals de World Series of Poker wordt afgekort, begint op rtl.

    Norman Chad en Lon McEachern heten de twee Amerikaanse commentatoren die de show stelen en hilarische teksten aan het beeld toevoegen. ‘A ten on the river and this guy is bamboozled,’ is een van de uitspraken van Norman Chad. ‘Ace queen? Is he playing ace queen?’ is een ander stokpaardje. Aas-vrouw is volgens het duo precies de pokerhand die je niet moet overschatten. Ik probeer het te begrijpen, maar aas-vrouw lijkt mij een goede combinatie van kaarten.

    Na een paar maanden wsop-uitzendingen kijken zijn Scotty ‘The Prince of Poker’ Nguyen en Phil ‘The Pokerbrat’ Hellmuth mijn favorieten. ‘Baby,’ zegt de altijd pratende Vietnamese immigrant Nguyen achter elke zin. Nguyen is een kleine Aziatische man met lang groezelig haar en een zonnebril met gekleurde glazen, die ervan houdt om alcohol te drinken tijdens het pokeren. Sommige pokerspelers hebben een hekel aan hem. Ik wil dat hij wint. Een beetje kinderlijk misschien – ik heb Aziatische roots, mijn moeder is geboren in Indonesië, mijn opa schijnt uit Japan te komen – maar ik identificeer me met hem, zeker omdat ik ook van praten houd tijdens het pokeren. Moet je anders saai voor je uit kijken tijdens het kaarten?

    Phil Hellmuth is na Nguyen degene die ik in de uitzendingen het liefst aanmoedig. Hij gedraagt zich als de oude tennislegende John McEnroe en voedt mijn voorliefde voor het enfant terrible, de disfunctionele sporter die altijd denkt dat hij belangrijker is dan zijn tegenstanders of teamgenoten. Immer gekleed in een oversized ijshockeyshirt, met een simpele zwarte pet op zijn hoofd, is Hellmuth totaal respectloos naar tegenstanders en hogere instanties, in dit geval de dealer die de kaarten deelt. ‘What the hell is going on in this freaking game?’, ‘You idiot player from Northern Europe!’, ‘This guy can’t even spell poker’, ‘This is so sick’ – het zijn de uitspraken om van te smullen als Hellmuth een pokerhand verliest. Hij moet wel de koning van het poker zijn, want de commentatoren benadrukken dat hij de meeste bracelets ooit heeft gewonnen bij de World Series of Poker. Hij is al jaren de eenzame recordhouder.

    Naast Nguyen en Hellmuth focussen de camera’s van espn zich op de succesvolste spelers, die ze allemaal bijnamen geven en mooi neerzetten als verschillende karakters. Daniel ‘Kidpoker’ Negreanu, Mike ‘The Mouth’ Matusow, Howard ‘The Professor’ Lederer, Gus ‘The Great Dane’ Hansen, Doyle ‘Texas Dolly’ Brunson en Phil Ivey, de ‘Tiger Woods’ van het poker. Vooral Ivey is mysterieus, een donkere Amerikaan die nooit lacht, met een aura van onoverwinnelijkheid en ondoorgrondelijkheid. Hij maakt tegenstanders ongemakkelijk met een lange, kille en intimiderende blik, zodat elke speler na een tijdje opgeeft en zijn hand naar het midden schuift.

    De camera’s van espn zoomen verder in op de glooiingen van een actrice als Jennifer Tilly en een playboymodel als Jayde Nicole. Ook nba-spelers en acteurs als Jason Alexander, die ‘George’ speelt in Seinfeld, en Matt Damon, bekend van veel films, maar voor pokerspelers vooral de rechtenstudent die in de pokerfilm Rounders in de openingsscène zijn hele studiekapitaal verliest. Een film waar ik me weinig van kan herinneren, op een meesterlijke John Malkovich na die in een Russisch dialect aan het einde van de film veel pokerchips door een kelder gooit, terwijl hij ‘njet, njet’ roept. Wat vooral opvalt tijdens de wsop-uitzendingen van rtl is de enorme actie aan al de pokertafels. Iedereen gaat continu all-in en dat is geweldig om naar te kijken.

    Poker krijgt langzaam in mijn hoofd een positieve associatie, terwijl mijn relatie met een stel speelkaarten getroebleerd was. Dat komt door de Pinkstergemeente en de invloed die die had op mijn moeder. Jarenlang lag er een cassettebandje van The Alan Parsons Project op de stereotoren in het ouderlijk huis in IJsselstein, in de tijd dat het bezit van een dubbel cassettedeck nog stond voor luxe en mensen begrepen wat ‘hifi’ betekende. De jaren tachtig. De bombastische klanken van The Alan Parsons Project, waar synthesizer en zang elkaar ontmoeten, waren lang favoriet van mijn ongelovige vader, zeker toen hij zich in zijn jaarlijkse ritueel van het solitair oliebollenbakken opsloot in de keuken en hij één dag dirigent en dictator was van de muziek. Wee je gebeente als je hem dan stoorde of de volumeknop zachter zette.

    De lyric die ik me het best kan herinneren handelde over veel ‘evil’ en iets wat er mis was in het huis. Precies de dingen waar mijn moeder elke dag voor waarschuwde. Het nummer blijkt ‘Maybe a price to pay’ te heten. ‘There’s evil brewing, getting out of control. And I’m helpless, I can’t put it right. Something unrighteous is possessing my soul. And it’s cold in the heat of the night.’ ‘Deze muziek is satanisch,’ zei mijn diepgelovige moeder elke week. ‘Kaarten zijn van de duivel, om de mensen onderling te verdelen. Met kaarten willen ze alleen maar gokken en geld winnen,’ was haar mening. Ze liet ook altijd edities van het bijbeltijdschrift Nieuw Leven slingeren door het huis. Die las ik stiekem. Over mensen die slecht leefden, in de spiegel keken en dan de stem van de duivel hoorden en door het geloof in God gered werden van deze demonische geest. Als achtjarige jongen leverde het me nachtmerries op.

    Zelfs als ik op de middelbare school meedeed aan een potje pesten, voelde ik me schuldig en was ik bang dat ik onder invloed van het verkeerde zou raken. Hoe vaker ik kaartspellen speelde, hoe minder kwaad ik erin zag. Het enige wat mijn vrienden en ik bereikten met een potje pesten was veel plezier, en met de tijd sleet ook langzaam mijn oorspronkelijke gevoel. Als ik ze later opzoek op internet blijkt dat leden van The Alan Parsons Project vroeger in Monte Carlo woonden en met ‘The Turn of a Friendly Card’ een album wilden maken over gokverslaving. Dat zet het hele ‘There’s evil brewing, getting out of control’ en ‘Something unrighteous is possessing my soul’ in een heel ander daglicht. Kaarten zijn van de duivel. Je moet er maar opkomen.

    Toen mijn oude collega Mark me benaderde om tussen de twaalf en twintig uur per week over poker te schrijven voor PokerStars en De Telegraaf, op kantoor van het sportmarketingbureau Miles waar zijn vriend Jacob werkt, hoefde ik niet lang na te denken. ‘Ja,’ zei mijn intuïtie. Het is dezelfde intuïtie die mij als jonge twintiger vier keer aanraadde terug te keren naar mijn ex-vriendin, waarna de relatie alsnog vier keer stuk ging.

   Om me te bekwamen in mijn nieuwe expertise duik ik in de geschiedenis van het poker, struin ik pokersites af en lees pokerboeken om het spel te begrijpen, zodat ik er goed over kan schrijven. Het boek Hold’em Wisdom for All Players van Daniel ‘Kidpoker’ Negreanu blijkt meteen een openbaring. Alsof ik tot nu toe blind heb gepokerd. Het hoofdstuk ‘De tien meest gemaakte beginnersfouten’ van Negreanu lees ik drie keer door, omdat ik niet kan geloven wat er allemaal staat. ‘Bluf niet te veel’ is de eerste tip.